Lopers: Tweevoeters |
Sommige vogelsoorten leven vooral op de grond. Ze hebben twee sterk ontwikkelde achterpoten. Het zijn tweevoeters die zich tijdens het lopen afzetten tegen de grond. Vaak zijn deze vogels zwaar gebouwd. Daardoor kunnen ze niet goed, of zelfs helemaal niet, vliegen.
Er zijn twee typen tweevoeters: waders en grondkrabbers.
|
|
| Basisvorm van een tweevoeter |
Grondkrabbers
Veel vogelsoorten hebben stevige achterpoten met klauwen voor het krabben op de grond tijdens het zoeken naar voedsel. Sommige soorten zijn zó sterk aangepast aan het bodemleven, dat ze niet meer kunnen vliegen.
|
|
| skelet van de struisvogel | skelet van de blauwe pauw |
Waders
De achterpoten zijn lang en slank gebouwd. De tenen zijn lang of dragen zwemvliezen of lobben om tijdens het waden niet in de zachte bodem weg te zakken. Waders kunnen allemaal vliegen.
|
|
| skelet van de rode flamingo | skelet van de rode lepelaar |